De vraag waarom worden de dagen langer in het voorjaar heeft een verrassend simpel antwoord: het komt door de schuine stand van de aardas. In dit artikel leggen we het in begrijpelijke taal uit, zonder ingewikkelde formules.
De aarde staat scheef
De aarde draait niet rechtop om haar as, maar staat ongeveer 23,5 graden gekanteld ten opzichte van haar baan rond de zon. Daardoor wijst soms het noordelijk halfrond meer richting de zon, en soms juist het zuidelijk halfrond. Die kanteling verandert tijdens het jaar niet — alleen onze plek in de baan verandert.
Wat dat betekent voor de dagen
In de winter wijst Nederland (op het noordelijk halfrond) ván de zon af. De zon komt laag boven de horizon en is maar kort zichtbaar. In het voorjaar draait de aarde naar een positie waarin Nederland steeds meer náár de zon toe wijst. De zon staat hoger, komt eerder op en gaat later onder.
De gelijke dag en nacht
Op één dag in het voorjaar (rond 20 maart) zijn dag en nacht ongeveer even lang. Dat heet de lente-equinox. Daarna worden de dagen elke dag een paar minuten langer, totdat we rond 21 juni de langste dag van het jaar bereiken — de zomerzonnewende.
En aan de andere kant?
Op het zuidelijk halfrond gebeurt precies het omgekeerde. Als hier de dagen langer worden, worden ze in landen als Argentinië en Australië juist korter. In Nederland geniet je intussen elke dag een beetje meer licht — gemiddeld zo’n drie tot vier minuten extra per etmaal in maart en april.
De rol van de hellingshoek van de aarde
De dagen worden langer in het voorjaar door de scheve stand van de aardas. De rotatie-as van onze planeet hangt 23,5 graden uit het lood. Vanaf de winterzonnewende rond 21 december krijgt het noordelijk halfrond elke dag iets meer zonlicht omdat we tijdens de jaarlijkse baan rond de zon langzaam draaien naar een positie waarin we recht in het zonlicht staan. Op de lente-equinox (rond 20 maart) duren dag en nacht exact gelijk, daarna wint daglicht het meer en meer tot de zomerzonnewende rond 21 juni.
Waarom merken we dat zo plotseling?
Tussen half februari en eind april groeit de daglengte het snelst, met soms wel drie minuten extra licht per dag op onze breedtegraad. Onze hersenen registreren die toename via de pijnappelklier, die minder melatonine aanmaakt zodra er meer licht binnenkomt. Dat verklaart waarom mensen zich vanaf eind maart energieker en alerter voelen, ondanks dat het buiten nog koud kan zijn.
Verschil met andere breedtegraden
In Nederland (51-53 graden noord) varieert de daglengte van ongeveer 7,5 uur in december tot 16,5 uur in juni: een verschil van 9 uur. In Spanje is dat verschil 5 uur, en op de evenaar nauwelijks 30 minuten. In Lapland of Noord-Noorwegen is er een paar weken poolnacht (geen daglicht) en in juni de midzomerzon (24 uur licht). Hoe verder je van de evenaar woont, hoe sterker je het verschil voelt.